Vier jaar heb ik nu in deze gemeente wethouder mogen zijn. Laat ik daar, in deze waarschijnlijk laatste column van mijn hand vóórdat er nieuwe wethouders aantreden, kort op terugblikken.
Bij aanvang werd ik gewaarschuwd voor de directheid van de Oostzaners. En inderdaad, dat klopte, gemiddeld genomen neemt een Oostzaner geen blad voor de mond. Dat is voor een Buitenpoorter trouwens niet anders dan iemand uit het dorp, heb ik gemerkt. En zelf houd ik er wel van; het kan maar duidelijk zijn wat iemand vindt. Tegelijk zitten er een hoop kleine hartjes onder; mensen die zich op allerlei manieren ontzettend inzetten voor de gemeenschap, voor het dorp. Bij verdere stappen in het bestuurlijke toekomst traject – lees: een fusie – zou dit bovenaan moeten staan om te behouden.
Over het dossier economie maak ik twee opmerkingen. Allereerst dat Oostzaan echt super-trots mag zijn op de mooie ondernemingen die er zijn. Met plezier heeft het college een aantal bezoeken gebracht en dat leverde altijd mooie verhalen op. Ik was en ben onder de indruk van bedrijven als Meijn, Ruijg en Piet Boon, die groter zijn dan Oostzaan, Noord-Holland en eigenlijk dan Nederland. Tegelijk was het werk als wethouder economie nogal eenvoudig, het blijkt namelijk dat ondernemers de weg naar het gemeentehuis zelf zeer goed weten te vinden. Korte lijnen zoals ze bedoeld zijn.
De gemeenteraad vond ik behoorlijk constructief. Meestal was er toch vrij snel eensgezindheid om de Ootszaanse uitdagingen op te lossen. Dat maakt het werk voor de wethouders natuurlijk wel prettiger. Zelfs in een pittig dossier over de bestuurlijke boetes – de poging van Oostzaan om opbrengsten van het overtreden van een inrijverbod aan de gemeente te laten toevallen – vond ik de raad respectvol. Dat er een (verworpen) motie van afkeuring tegen mij werd ingediend, was dan natuurlijk weer niet zo prettig, maar het hoort er soms gewoon bij.
In de raadsvergaderingen, en ook in deze columns ben ik vaak ingegaan op de financiële uitdagingen van het dorp. Mijn belangrijkste taak bleek een strenge wethouder financiën te zijn en ervoor te zorgen dat de gemeente niet failliet zou gaan. Samen met het college heb ik continu proberen uit te leggen dat Oostzaan te klein is om al de taken uit te voeren waarvan men verwacht – en mág verwachten! – dat de gemeente daar, als eerste overheid waarmee inwoners te maken hebben, werk van maakt. Ofwel, ik geloof dat de wet van de getallen tegen een kleine gemeente als Oostzaan werkt. Daarom is het goed als er snel een besluit wordt genomen over de bestuurlijke toekomst. Wat mij betreft had dat al eerder gemoeten. Een fusie is het beste voor het dorp, de inwoners, instellingen en ondernemers. Het niveau van gemeentelijke dienstverlening kan dan weer op een acceptabel niveau worden gebracht.
Vond ik dan alles leuk? Nee, dat niet. Ik was niet eerder wethouder geweest. Dat was precies een reden om ‘ja’ te zeggen op de vraag of ik die rol in Oostzaan wilde vervullen. Zo kon ik ervaren wat het is om wethouder te zijn. Maar ik heb geleerd dat ik liever volksvertegenwoordiger ben. De rol van wethouder vond ik minder leuk. Maar waren het dan vier verloren jaren? Nee, zeker niet. Ik heb veel geleerd, en ook genoeg lol gehad. Al was het soms om mijn eigen chagrijn als dingen niet liepen zoals ik graag had gewild. Relativeren is een kunst natuurlijk, en daar heb ik toch weer wat stappen gezet!
Ik wil in ieder geval op deze plek het dorp en de gemeenteraad zeer veel dank zeggen voor het vertrouwen dat ik heb gekregen en dat ik hier dit werk heb mogen doen. Ik heb het graag gedaan en wens Oostzaan het aller-, allerbeste toe.
